Artikel-ID : 00100170 / Laatst gewijzigd : 12/11/2014

Aanbevelingen voor opnamen van snel bewegende actie.

Producten en categorieën waar dit artikel op van toepassing is

Er zijn verschillende methoden waarmee u actiefoto's kunt maken van onderwerpen die snel bewegen. Deze methoden zijn afhankelijk van het type actie dat u vastlegt en van hoe u wilt dat de foto eruit komt te zien. Zowel oefening en vaardigheid als opnametechnieken en camera-instellingen spelen allemaal een rol.

U kunt Continu opnemen selecteren in de Transportmodus-optie van de camera. U kunt ook de Sportmodus proberen in de opties voor de Scèneselectie.

Dit zijn enkele aanvullende aanbevelingen indien u meer handmatige controle over de instellingen wilt:

  1. Gebruik indien mogelijk een snelle lens, oftewel een lens met een groot diafragma.

    BELANGRIJK: Dit is bijzonder belangrijk wanneer u opnamen maakt van veraf bij weinig licht. Als er onvoldoende licht is, is het moeilijker om bewegende onderwerpen vast te leggen. Een groter diafragma betekent dat er sneller licht verzameld kan worden. Voor opnamen van veraf bij weinig licht wordt aanbevolen om een lens te gebruiken met een f-stop van 2.8 of beter.

  2. Gebruik een flitser wanneer u het onderwerp dicht genoeg kunt naderen.
  3. Verhoog de ISO-instelling.
  4. Stel de camera in op de modus Prioriteit sluitertijd (S).
  5. Pas de sluitertijd aan.

    • Om bewegingen helemaal stil te zetten, gebruikt u een snellere sluitertijd (sneller dan 1/250 seconde wordt doorgaans aanbevolen).
    • Voor een wazig effect dat beweging laat zien, gebruikt u een langzamere sluitertijd (doorgaans tussen 1/50 en 1/100).

    BELANGRIJK: Mogelijk dient u met verschillende sluitertijden te experimenteren om het gewenste effect te bereiken. Afhankelijk van hoe snel uw onderwerp beweegt en wat de afstand tot het onderwerp is, dient u de sluitertijd mogelijk hoger of lager in te stellen.

  6. Kies hieronder de juiste instelling voor scherpstelling, al naargelang hoe uw onderwerp beweegt.

    • Als de afstand tot de camera van het bewegende onderwerp relatief gelijk blijft, gebruikt u Automatische AF (AF-A).

      OPMERKINGEN:
      • In de modus AF-A herkent de camera automatisch of het onderwerp al dan niet beweegt en wordt de AF-modus afgewisseld tussen Enkelvoudige AF (AF-S) en Continue AF (AF-C) om bij het onderwerp te passen.
      • Wanneer snel bewegende onderwerpen worden vastgelegd terwijl de scherpstelstand ingesteld is op AF-A, kan de AF-modus soms niet snel genoeg overschakelen en kan het voorkomen dat de camera niet meer scherpstelt op het bewegende onderwerp. In dat geval wordt aangeraden om AF-C te gebruiken.

    • Wanneer het onderwerp door het beeldveld van de camera beweegt, stelt u de modus voor automatische scherpstelling in op AF-C.

      OPMERKING: Wanneer AF/C wordt gebruikt, blijft de camera scherpstellen wanneer u de sluiterknop indrukt en halverwege ingedrukt houdt. Zodra u klaar bent om de opname te maken, drukt u de sluiterknop helemaal in.

    • Wanneer het onderwerp slechts een klein gedeelte van het beeld inneemt (circa 15%) en zo snel beweegt dat de automatische scherpstelling niet kan vergrendelen, kunt u overwegen om Handmatige scherpstelling (MF) te proberen, zodat u de scherpstelling handmatig kunt bedienen.

  7. Wanneer u een sterk vergrotende lens gebruikt, plaatst u indien nodig de camera op een statief of voet om de camera stabiel te houden.

Als modelspecifieke informatie vereist is om een van de stappen hierboven uit te voeren, raadpleegt u de bedieningsinstructies van het product.

Lees het artikel Beweging vastleggen op de foto voor meer tips en voorbeelden.